Oude Testament

Nieuwe Testament

Deuteronomium 14:3-17 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

3. Gij zult niets eten, dat een gruwel is.

4. Dit zijn de dieren die gij eten moogt: rund, schaap en geit;

5. hert, gazel, antiloop, steenbok, das, wilde os en wild schaap;

6. elk dier, dat gespleten hoeven heeft – namelijk de beide hoeven geheel gekloofd – en herkauwt onder de dieren, moogt gij eten.

7. De volgende echter zult gij niet eten van de dieren die herkauwen of geheel gespleten hoeven hebben: de kameel, de haas, en de klipdas, omdat zij wel herkauwen, maar geen gespleten hoeven hebben; onrein zullen zij voor u zijn.

8. Ook het zwijn, omdat het wel gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt; onrein zal het voor u zijn. Van hun vlees zult gij niet eten en hun aas zult gij niet aanraken.

9. Dit moogt gij eten van al wat in het water leeft: al wat vinnen en schubben heeft, moogt gij eten,

10. maar gij zult niets eten dat geen vinnen of schubben heeft; onrein zal dat voor u zijn.

11. Elke reine vogel moogt gij eten.

12. Maar deze zijn het, waarvan gij niet eten zult: de arend, de lammergier en de zeearend;

13. de wouw, de gier en alle soorten kraaien;

14. alle soorten raven;

15. de struisvogel, de katuil, de meeuw en alle soorten sperwers;

16. de steenuil, de oehoe en de witte uil;

17. de pelikaan, de aasgier en de aalscholver;

Lees verder hoofdstuk Deuteronomium 14