Oude Testament

Nieuwe Testament

Joël 1:11-16 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

11. De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren, over de tarwe en over de gerst, want de oogst van het veld is verloren gegaan.

12. De wijnstok is verdord en de vijgeboom is verwelkt; granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht.

13. Omgordt u en weeklaagt, gij priesters; jammert, gij dienaren van het altaar; komt, overnacht in rouwgewaden, gij dienaren van mijn God, want aan het huis van uw God zijn spijsoffer en plengoffer onthouden.

14. Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen; vergadert, gij oudsten, alle inwoners des lands, tot het huis van de Here, uw God, en roept luide tot de Here.

15. Wee die dag, want nabij is de dag des Heren; als een verwoesting komt hij van de Almachtige.

16. Is niet voor onze ogen de spijze weggedaan, uit het huis van onze God vreugde en gejuich?

Lees verder hoofdstuk Joël 1