Oude Testament

Nieuwe Testament

Hooglied 3:1-11 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

1. Op mijn legerstede des nachtszocht ik mijn zielsbeminde;ik zocht hem, maar ik vond hem niet.

2. Ik wil opstaan en rondgaan in de stad,op straten en pleinenen mijn zielsbeminde zoeken;ik zocht hem, maar ik vond hem niet.

3. De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan;„Hebt gij ook mijn zielsbeminde gezien?”

4. Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan,of daar vond ik mijn zielsbeminde.Ik greep hem vast en wilde hem niet loslaten,totdat ik hem gebracht had in het huis van mijn moeder,in de kamer van haar die mij gebaard heeft.

5. Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,bij de gazellen of bij de hinden des velds,wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet,vóórdat het haar behaagt.

6. Wat trekt daar op uit de woestijn,als zuilen van rook,omgeurd van mirre en wierooken allerlei reukwerk van de koopman?

7. Zie, dat is Salomo’s draagstoel,omringd door zestig helden,uit de helden van Israël,

8. allen het zwaard houdend,geoefend ten strijde,elk met het zwaard aan zijn heupvanwege de verschrikking in de nacht.

9. Koning Salomo maakte zich een draagkoetsuit hout van de Libanon.

10. De spijlen maakte hij van zilver,de leuning van goud,de zitting van purper,het binnenwerk met een bekleding van liefdesgeschenken,afkomstig van de dochters van Jeruzalem.

11. Gaat uit, dochters van Sion,aanschouwt koning Salomo, met de kroon,waarmee zijn moeder hem kroondeop de dag van zijn bruiloft,op de dag van de vreugde zijns harten.

Lees verder hoofdstuk Hooglied 3