Oude Testament

Nieuwe Testament

Exodus 36:30-38 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

30. Er waren dus acht planken met haar zilveren voetstukken: zestien voetstukken; telkens twee voetstukken onder één plank.

31. Men maakte dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel,

32. vijf dwarsbalken voor de planken van de andere zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de tabernakel aan de achterkant naar het westen.

33. Men maakte de middelste dwarsbalk in het midden der planken, dwars dóórlopende van het ene einde naar het andere.

34. De planken overtrok men met goud, de ringen maakte men van goud als houders voor de dwarsbalken, en de dwarsbalken overtrok men met goud.

35. Men maakte het voorhangsel van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen; met kunstig geweven cherubs maakte men het.

36. Men maakte daarvoor vier pilaren van acaciahout en overtrok ze met goud; de haken waren van goud, en men goot er vier zilveren voetstukken voor.

37. Men maakte een gordijn voor de ingang der tent van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen: veelkleurig weefwerk;

38. en de vijf pilaren van acaciahout, met hun haken; men overtrok hun toppen en dwarsstangen met goud, en de vijf voetstukken waren van koper.

Lees verder hoofdstuk Exodus 36