Oude Testament

Nieuwe Testament

Handelingen 28:14-30 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

14. Hier vonden wij broeders en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen wij naar Rome.

15. En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed.

16. En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte.

17. En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voormannen der Joden samenriep, en toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen,

18. die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was.

19. Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen.

20. Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten.

21. Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken.

22. Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt.

23. En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe.

24. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig;

25. en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken,

26. zeggende:Ga heen tot dit volk en zeg:Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken;

27. want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten,opdat zij niet zien met hun ogenen met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren,en Ik hen zou genezen.

28. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!

29. [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.]

30. En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen,

Lees verder hoofdstuk Handelingen 28