Oude Testament

Nieuwe Testament

Handelingen 26:17-32 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

17. u verkiezende uit dit volk en de heidenen, waarheen Ik u zend,

18. om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij.

19. Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest,

20. maar ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming.

21. Hierom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en getracht mij om te brengen.

22. Als een getuige, die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou,

23. namelijk, dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen en aan het volk en aan de heidenen.

24. En terwijl hij dit tot zijn verdediging aanvoerde, zeide Festus met luider stem: Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war.

25. Maar Paulus zeide: Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid.

26. Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig, want ik kan niet geloven, dat hem iets van deze dingen onbekend is; dit is immers niet in een uithoek geschied.

27. Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft!

28. Maar Agrippa zeide tot Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden!

29. En Paulus zeide: Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.

30. En de koning stond op en de stadhouder en Bernice en die met hen hadden plaats genomen;

31. en ter zijde gegaan, spraken zij onder elkander: Deze man is aan niets schuldig, waarop dood of gevangenschap staat.

32. En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen.

Lees verder hoofdstuk Handelingen 26