Oude Testament

Nieuwe Testament

Genesis 24:2-12 Het Boek (HTB)

2. Op een dag zei Abraham tegen zijn oudste dienaar, die zijn bezit beheerde:

3. ‘Zweer bij de Here, de God van hemel en aarde, dat je mijn zoon niet zult laten trouwen met een meisje uit deze streek, een Kanaänitische.

4. Je moet naar mijn geboorteland gaan, naar mijn familie en daar een vrouw voor hem zoeken.’

5. ‘En als ik geen meisje vind die dat hele eind wil reizen om te trouwen?’ vroeg de dienaar. ‘Moet ik Isaak dan terugbrengen naar het land waar u vandaan bent gekomen?’

6. ‘Nee,’ waarschuwde Abraham, ‘dat mag je onder geen beding doen,

7. de Here, de God van de hemel, heeft mij uit mijn geboorteland bij mijn familie weggeroepen om mij en mijn nakomelingen dit land te geven. Hij zal een engel voor je uit sturen en ervoor zorgen dat je daar een meisje vindt dat met Isaak kan trouwen.

8. Als het je niet lukt, ben je van je eed ontslagen. Maar je mag mijn zoon nooit daarheen brengen.’

9. De dienaar zwoer dat hij Abrahams opdracht zou uitvoeren.

10. Hij nam tien kamelen mee, belaadde die met het beste en mooiste van de eigendommen van zijn meester en reisde naar Aram-Naharaïm, de woonplaats van Nachor.

11. Hij stopte bij een waterput net buiten de stad en liet de kamelen neerknielen. Het was tegen de avond en de vrouwen van de stad zouden zo komen om water te putten.

12. ‘Och Here, God van mijn meester,’ bad hij, ‘wees goed voor mijn meester Abraham en laat mijn opdracht slagen.

Lees verder hoofdstuk Genesis 24