Oude Testament

Nieuwe Testament

Deuteronomium 29:8-16 Het Boek (HTB)

8. Wij namen hun land en gaven het als erfdeel aan de stammen van Ruben en Gad en aan de halve stam van Manasse.

9. Daarom moet u de bepalingen van dit verbond naleven zodat het u goed zal gaan bij alles wat u doet.

10. U allen—uw leiders, het volk, uw rechters en uw ambtenaren—staat vandaag voor de Here uw God.

11. Samen met uw kleine kinderen, uw vrouwen, de vreemdelingen die bij u wonen en zij die uw hout hakken en uw water dragen.

12. U staat op het punt een verbond te sluiten met de Here uw God. Een verbond dat Hij vandaag met u sluit. Als u dit verbond verbreekt, weet u welke vervloekingen u te wachten staan.

13. Hij zal u vandaag bevestigen als zijn volk en wil duidelijk maken dat Hij uw God is, net zoals Hij het heeft gezworen aan uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob.

14-15. Dit verbond en bijbehorende vervloekingen gelden niet alleen voor u, zoals u hier vandaag voor Hem staat, maar ook voor alle toekomstige generaties van Israëlieten.

16. U herinnert zich dat wij in Egypte leefden en hoe wij daarna door de gebieden van andere volken kwamen:

Lees verder hoofdstuk Deuteronomium 29