Oude Testament

Nieuwe Testament

Ezechiël 8:7-14 BasisBijbel (BB)

7. Hij bracht me over het plein naar de ingang van het tempelhuis. Ik zag dat er een gat in de muur zat.

8. Hij zei tegen mij: "Mensenzoon, maak het gat groter." Ik maakte het gat groter en zag plotseling een deur.

9. Hij zei tegen mij: "Ga naar binnen en zie eens wat een afschuwelijke dingen ze hier doen!"

10. Ik ging naar binnen. Daar zag ik allerlei afbeeldingen van walgelijke afgoden: allerlei kruipende dieren en andere walgelijke beesten. Overal in het rond had het volk Israël afbeeldingen van afgoden op de muren gemaakt.

11. In de zaal stonden 70 van de [ geestelijk ] leiders van Israël. Vóór hen stond Jaäzanja, de zoon van Safan. Ze hadden allemaal een schaal met brandende wierook in hun handen. Er hing een dichte rookwolk van de brandende wierook.

12. De Heer zei tegen mij: "Heb je gezien, mensenzoon, wat de leiders van het volk Israël in het donker doen, in hun kamer met afbeeldingen? Ze denken: 'De Heer ziet ons niet. De Heer heeft het land verlaten.'

13. Maar Ik zal je laten zien wat ze nog meer voor afschuwelijke, verschrikkelijke dingen doen."

14. Toen bracht Hij mij naar de ingang van de tempelpoort aan de noordkant. Daar zaten vrouwen te huilen over de dood van de god Tammuz.

Lees verder hoofdstuk Ezechiël 8